Blog

Tussen proza, poëzie en beeld tracht ik iets van de tover in ons leven zichtbaar te maken

02 maart

Tempelhonden



Coming here to see people and scenes,
Happy with Buddha and pleased with the earth.
 

Lê Thánh Tông (1442 – 1497)

In de Omamori Spa aan de Hàng Bún in Hà Nôi vreten de zacht-wrede handen van mijn blinde therapeute zich door spieren en leven. Het hele lijf is hard, stug en onverzettelijk, terwijl ik me wil ontspannen verzet het zich. De blinde masseuse leest mijn lijf als een boek, pakt feilloos de hardste spieren, pijn beneemt me de adem. Terwijl haar zijdezachte haar mijn schouder streelt fluistert ze in mijn oor dat het haar spijt, maar dat de weg van pijn de enige optie is.

Op het meer drijft een eenzame huisboot. Het blad groen, de kalk wit, de noot bruin, de bruid van de gouden pad kauwt hard op de betel, die haar mond betovert tot een bloedrode vlek. Hun liefde is door de goden voorbestemd, onvermijdelijk worden ze na talloze levens eindelijk verenigd. Schaakstukken spelen het spel van wolken en regen met een wit konijn en het maanmeisje. Boven kalkrijke zwarte bergen verwart het vliegertouw zich met een visvormige houten drum. Terwijl pijnbomen en wilgen elkaar omhelzen verbergt een gigantische witte rivierslak zich in het riet. In het klooster zorgt de zoete klank van de windgong voor koelte en verlichting. Wordt de vergulde Boeddha vermalen tussen de roestige tandraderen van mijn karma. Kust de kunstenaar Tran Nguyen Dung in vrije los geschilderde pasteuze verfstreken zijn schilderij tot leven. Flitsen witte tanden als bliksemschichten. Is de paarse vis in de bomen als een wond in een neonnacht. Baart de granieten vrouw een kind dat zich blind staart in de zon. Sleept een stenen man zijn perziken van onsterfelijkheid vreugdeloos achter zich aan. Bij de Quan Yin tempel raap ik een blad op van de bodhiboom, een loot van de boom waaronder de Boeddha zelf nog geschuild heeft. De Boeddha’s van heden, verleden en toekomst gaan rollebollend over de weg der natuur, de essentie waaruit de tienduizend dingen ontstaan. De poort van grote synthese blijft vooralsnog voor me gesloten, de vijver van hemelse helderheid troebel. Terwijl de bodhisattva prinses opstijgt naar de hemel laat ze voor eeuwig de geur van abrikozen achter in de grot waar ze gevangen zat. Gedurende de nacht waakt Garoeda op de rand van mijn bed. Op het windstille schilderij van Willem van de Velde wachten de schepen voor de kust rustig op wat komen gaat. Boven plastic tulpen draait een elektronische vlinder onvermoeibaar haar rondjes.

De massage wordt afgesloten met warme olie en hete stenen. Stug en vasthoudend verzet mijn hele wezen zich, een ‘happy ending’ is nog ver weg. Is de weg van pijn tegelijk ook de weg naar de liefde?

Nirvana is here, nine out of ten. 

Hô Xuân Huong (1772 – 1822)

03 februari

Stuifmeel

Stuifmeel

 
The road is a wondrous place, go with an open heart.
Andrew X. Pham ‘Catfish and Mandala’

In Manzi’s Art Space in Hanoi ontmoet ik de levendige en welbespraakte Maia, een gedeelde interesse in kunst en poëzie geeft het gesprek al snel een persoonlijke wending. Maia vertelt over haar studie in Londen – Engelse taal en cultuur – en Amerika – kunstgeschiedenis. Nu verdiept ze zich in moderne en hedendaagse Vietnamese kunst. We bespreken verschillende in de galerie tentoongestelde kunstenaars en hoe de mix van traditie en ambacht van Vietnam in contact met moderne westerse kunst de hedendaagse kunst in Vietnam een eigen gezicht geeft.

Wanneer ik Maia vertel over mijn verblijf in het Truc Lam Tay Thien klooster in Dai Dinh, blijken we meer dan alleen onze belangstelling voor kunst en poëzie te delen. Hoewel het huidige klooster pas in 2004 gebouwd is dateren de oudste fundamenten, die van de Thien An Pagoda, al uit de tweede eeuw. Enthousiast vertelt Maia dat ze een paar jaar geleden Engelse les heeft mogen geven aan de nonnen daar, als opmaat voor het bezoek van een delegatie uit Bhutan. Vol bewondering toont ze haar respect voor de nonnen en hun zelfverkozen basale leefomstandigheden. Sommige nonnen kiezen zelfs voor een nog eenvoudiger leefstijl in de bossen buiten het uitgestrekte kloosterterrein. Een traditie die ik herken van een eerder verblijf in een Thais bosklooster. Hoe anders zag dat er een week geleden door westerse ogen uit, toen alles gekoppeld werd aan de onmiskenbare achterstand van vrouwen in de Vietnamese maatschappij. Evenals de hedendaagse kunst is ook de werkelijkheid in het klooster veel vormiger dan ik wellicht vermoede. Kunst en werkelijkheid houden me zo voortdurend een spiegel voor waarin ik, nog steeds, vooral mezelf zie. Tijd om de spiegel om te keren, minder ik, meer wij.

In de kloostertuin en om het meer fladderen vlinders in de meest onwaarschijnlijke en telkens wisselende kleuren. Schoonheid in zijn meest kwetsbare vorm. Wanneer ik ze tracht te fotograferen zijn de vlinders telkens net weg. In de Griekse mythologie is de vlinder het zinnebeeld van de ziel, in de Chinese mythologie is zij symbool van liefde. Waar ik mijn ziel of de liefde zoek vind ik haar nooit, zij mij altijd, feilloos. De keuzes die ik in deze herfst mag maken zijn even kleurrijk als de vlinders en veelvormig als de tienduizend dingen om me heen. Zoals mijn ziel en liefde me zonder dwalen altijd vinden, leer ik er in het klooster op vertrouwen dat de juiste keuzes mij ook instinctief gaan vinden. Zo lang ik mijn focus maar hou op de vlinder, haar schoonheid, kwetsbaarheid en telkens wisselende kleuren. Is vertrouwen wellicht het antwoord op de vragen die niemand me stelt?

Kon ik eenmaal toch jouw dans weergeven
In een van het woord bevrijd gedicht,
Eenmaal even vrij en lenig zweven
Als jij in de lucht en in het licht
J. Slauerhoff (1898-1936)
uit: Al dwalend (ongepubliceerde gedichten 1947)
03 januari

Herbereken route

Herbereken route

(de schoonheid van het onvoltooide)
the village I finally reach
deeper than the deep
mountains
indeed
the capital
where I used to live
Eihei Dogen (1200 – 1253)

Terwijl vrienden er bij Mondriaan op aandringen dat hij zijn schilderij ‘Victory Boogie Woogie’ in 1944 ook daadwerkelijk zou voltooien, lijkt de kunstenaar zelf aan het eind van zijn leven op een punt aangekomen waar voltooiing en oplossingen niet meer bestaan. De Victory Boogie Woogie is geschilderd in olieverf op canvas en zoals veel van Mondriaans latere werk in de primaire kleuren rood, geel en blauw met verder gebruik van wit, grijs en zwart. Echter in dit werk nuanceert hij de kleuren van licht naar donker wat sterk bijdraagt aan de dynamiek van het beeld. Hij blijft met gekleurd karton en kleine stukjes tape het ontwerp voortdurend bijwerken en herzien en krijgt steeds meer plezier in deze manier van werken waar hij geen concreet einddoel of resultaat meer voor ogen heeft. Zo maakt hij niet één, maar iedere dag een andere Victory Boogie Woogie, een onderzoek in verf, tape, karton, papier op en over elkaar, soms wel zeven lagen dik, een experiment zonder einde. Tot een paar dagen voor zijn dood zal Mondriaan veranderingen blijven aanbrengen, het proces van iets doen waar geen einde aan schijnt te komen boeit hem meer dan een concreet resultaat. Voorvoelde hij wellicht dat in de toekomst zowel in de kunst als in de maatschappij het procesmatige steeds belangrijker zou worden? Is verandering wellicht het centrale thema van zijn oeuvre? Is zijn voorliefde voor muziek en dans iets anders dan zijn liefde voor verandering en beweging? De dynamiek van de door elkaar heen dansende kleuren en opengebroken lijnen verwijzen naar het levensritme waarin alles altijd in verandering is. Dertig jaar daarvoor schreef Mondriaan al in zijn schetsboek dat de “theosofische leer van de evolutie een bepalende factor in de geschiedenis van de kunst was” en is evolutie iets anders dan verandering en per definitie onvoltooid. Vijftig jaar later zal de Nederlandse staat 82 miljoen gulden (37 miljoen euro) voor dit onvoltooide werk betalen.

In de warmte van de middagzon hangt de zoete geur zwaar boven het paarse heideveld. Luid zoemend eisen wilde bijen en hommels hun deel op. De zoete roes schept een helderheid waarin keuzes onontkoombaar worden. Is het de leegte van het veld versus de volheid van mijn gemoed of de volheid van het veld versus de leegte van mijn gemoed. Aan de blauwe hemel vormen ragfijne wolken een lotusbloem waarop de drie schikgodinnen voorbijdrijven. De eerste spint mijn levensdraad, de tweede meet hem af en de derde heeft haar schaar al vast. Het kleed dat ik zelf weef is echter nog lang niet voltooid …

We shall not cease from exploration
And the end of all our exploring
Will be to arrive where we started
And know the place for the first time

T. S. Eliot (1888 – 1965)
Chris den Engelsman ‘Sporen’ (2002)

Dharma sloebers

‘One day I will find the right words,
and they will be simple’
Jack Kerouac
The Dharma Bums (1958)

Bij mijn voorzichtige eerste schreden op het Zen pad ben ik weinig kieskeurig, bij iedere leraar en in iedere zendo of klooster pik ik wel iets op, een beeld een woord een zin. Aan de Longquan Tempel in Utrecht werd de meditatie onlangs geleid door Chan master Ton Lathouwers. Hij weet de hoogst Chan of Zen idealen moeiteloos te verbinden met zijn eigen dagelijkse worsteling. Eigenlijk was dit de eerste keer dat een leraar me echt raakte. Ook het gesprek na afloop was meteen persoonlijk en van hart tot hart. Wanneer er al iets over te dragen is, wellicht ook de enige weg, direct tussen meester en leerling en in de stilte van de meditatie.

De zich opstapelende misverstanden tussen oosterse woorden en westerse oren zijn ontelbaar. Laat ik bij Jack Kerouac beginnen, de vader van de beatniks, die begin jaren vijftig het Boeddhisme ontdekt. Onder andere via het boek Walden van Henry Thoreau. Kerouac leerde zichzelf mediteren en schreef twee boeken over Boeddhisme, waarvoor zijn uitgevers overigens geen belangstelling hadden. Later zou Kerouac zich aansluiten bij een groep dichters, studenten en filosofen die de bronteksten bestudeerden, iets dat Kerouac zelf niet kon. Een van hen zou de hoofdpersoon (Japhy) worden van zijn tweede roman The Dharma Bums. In de roman krijgt Japhy een visioen van jonge mensen die doelloos de wereld rond trekken, om zichzelf te vinden of te leven als een ‘Zen Lunatic’. Een profetisch visioen.

De gevestigde wetenschap had niet veel op met Kerouac’s Boeddhisme, maar voor veel frisse babyboomers was het een eerste kennismaking. Via Kerouac ging Ginsberg mediteren. Via Ginsberg raakt Bob Dylan geïnteresseerd. Via Dylan kwam het oosterse gedachten goed bij The Beatles terecht. Die eerder, volgens sommigen als ode aan Kerouac, hun naam al van Beetles in Beatles hadden veranderd. Via het luidsprekertje van mijn Philips mono pick-up stroomde de klanken van ‘Within you without you’ en de oosterse wijsheid mijn tienerzolderkamertje binnen. ‘And to see you’re really only very small and life flows on within you and without you’

‘Within you without you’ is het enige nummer van de LP Sgt Pepper’s Lonely-Hearts Club Band dat geschreven is door George Harrison. Hij heeft het lied geschreven nadat hij in 1966 zes weken lang in India bij zijn mentor, Ravi Shankar, studeerde en mediteerde. Het bevat veel ideeën uit de hindoeïstische filosofie en leer van de Veda’s, ingekapseld in de verkenning van spirituele thema’s die populair waren geworden in de Summer of Love. Muzikaal leunt het zwaar op de vaak veel langere composities van Ravi Shankar zelf.

Vijftig jaar later ontmoet ik Chan master Ton Lathouwers en vervolg ik mijn zwerftocht, soms langs zendo’s en kloosters, vaker via poëzie of kunst, altijd in de stilte van mijn meditatie.

Me, my pipe,
                my folded legs –
Far from Buddha
Jack Kerouac
Dharma Pops (1956)
Vann Nath zelfportret (detail)

Mugshot

I haven’t shaken griefs rattle, yet it clatters
I haven’t rung sorrow’s bell, though it tolls
Hô Xuân Huong (1772 – 1822)

Na anderhalf uur tevergeefs zoeken kijkt de tuk-tukdriver (eigenlijk remork-motodriver in Cambodja) ons licht wanhopig aan. De juiste straat hebben we inmiddels gevonden, de juiste locatie nog lang niet. Vanaf Wat Phnom, een drukbezochte tempel aan de oevers van de Tonle Sap rivier, lijkt het op mijn kaart een kort ritje naar straat 169 huis 33b, maar dat blijkt tegen te vallen.

Ongeveer op de plek waar Tonle Sap en Mekong elkaar ontmoeten, ziet, ergens in de veertiende eeuw, vrouw Penh een grote Koki boom (Hopea odorata, of Ta-khian) voorbijdrijven met verstrengeld in haar takken vier Boeddhabeelden en een beeld van de Hindoegod Vishnu. De vastberaden en energieke Penh bracht haar vondst onder in een kleine op een heuvel gelegen tempel, die uitgeroeide tot de huidige Wat Phnom, tempel op de heuvel. De stad die eromheen groeide kreeg de naam Phnom Penh, heuvel van (vrouw) Penh. Sinds die tijd heeft de stad vele ups en downs gekend, met als grootste contrast het Phnom Penh van de jaren ’60, toen de parel van Azië en het Phnom Penh van de jaren ’70, toen de Khmer Rouge haar veranderde in een spookstad, slechts toegankelijk voor partijkader, militaire leiders en hun personeel.

In het Phnom Penh van de jaren ’60 bestaat twee derde van de bevolking uit allochtone Chinezen en Vietnamezen, meestal de bewoners van de buitenwijken. In het centrum was de invloed van een kleine Franse minderheid zeer zichtbaar. Diep onder het oppervlak van deze, door Amerika gefinancierde gouden eeuw en volledig buiten het zicht van de machthebbers wordt de kiem gelegd voor de tragedie van Pol Pot en zijn Khmer Rouge. Tijdens deze decadente gouden jaren maakt de jonge communist Pol Pot een studiereis naar het China van Mao Zedong, ten tijde van de culturele revolutie. “Zo moet het dus” zal hij gedacht hebben. Vanaf het begin van de jaren ’70 werden de machten en krachten die de ondergang van het ‘fairy tale kingdomuit de jaren ’60 zouden betekenen steeds sterker. Vanaf 1975 komt Phnom Penh zelf onder vuur te liggen en op 17 april 1975 marcheerde de triomfantelijke Khmer Rouge de stad binnen en, zoals hun leiders het noemden ‘not to negotiate. Van de tragedie van de oorlog belandde Cambodja en Phnom Penh in de tragedie van de vrede. Pas na bijna vier jaar zal er door inmenging van het Vietnamese leger een einde komen aan deze tragedie.

Vanaf de jaren ’90 krabbelt Phnom Penh weer op en inmiddels is het een bruisende Aziatische stad, waar meer dan de helft van de bevolking jonger is dan twintig jaar, in alle opzichten het kleine broertje van Bangkok en Hanoi dus. De spitsen van koninklijk paleis, Silver Pagoda en het nationaal museum, de in oranje geklede monniken, de Tonle Sap en Mekong die door de stad stromen, de eindeloze stroom brommers die door de straten stromen, de tientallen kleine en grote markten geven de stad de kleur en geur van een moderne Aziatische (hoofd) stad, om over de geluiden nog maar te zwijgen. Nog niet de parel van Azië van weleer, maar die potentie is er zeker.

Dit alles is echter deze middag niet het doel van onze zoektocht. Vandaag proberen we iets terug te vinden van het barbaarse schrikbewind van de Khmer Rouge. De voormalige Tuol Sleng gevangenis en martelcentrum, nu museum, in het centrum, en de Killing Fields van Choeung Ek net buiten de stad waar duizenden zijn gemarteld en vermoord, durf ik niet te bezoeken. Bang dat de dolende zielen daar me nog lang na terugkeer blijven bezoeken. Nee, het zoeken is naar het restaurant van Kith Eng, de vrouw van Vann Nath, een van de zeven overlevenden van de Tuol Sleng gevangenis. Als kunstenaar heeft hij later in vele schilderijen verslag gedaan van zijn verblijf daar. Zijn schilderijen zijn te zien in het huidige Tuol Sleng Genoicide Museum en dus in het restaurant van zijn weduwe. Vann Nath zelf is in 2011 overleden.

Na onze tuk-tuk driver bedankt te hebben vervolgen we te voet onze zoektocht, huisnummer 33b blijft echter nog lang onvindbaar. Door de wijk dwalend blijkt ook de parallelweg nummer 169 te dragen, maar nog steeds geen huis 33b. Hoe de aangrenzende steegjes genummerd zijn laat zich slechts raden. Navraag doend brengt een behulpzame buurtbewoner ons naar het ziekenhuis, dat lijkt me een ernstig misverstand. Maar na inmiddels een paar uur zoeken en ongetwijfeld dicht bij ons doel, laat ik me gewillig meevoeren. De vrouwelijke conciërge van het ziekenhuis weet meer, maar spreekt geen Engels. Mee naar binnen naar een arts die wel Engels spreekt, op het gezochte adres blijkt inmiddels een apotheek gevestigd. Het restaurant van Kit Eng blijkt niet meer te bestaan, maar de galerie met werk van Vann Nath nog wel. De vriendelijk lachende conciërge krijgt toestemming ons daarnaartoe te brengen. De Aziatische vriendelijkheid is weer eens onovertroffen en vijf minuten later staan we voor de gezochte galerie, waar Sineth, de oudste dochter van Vann Nath ons al opwacht, haar moeder Kith Eng verwacht ons binnen.

De galerie zelf is een wat steriele pijpenla, zwarte vloertegels en witte muren met daaraan het werk van Vann Nath. Een laat zelfportret, een surrealistisch tafereel waarop een mensfiguur (Vann Nath) een beeld (the churning of the milk ocean) torst, met op de achtergrond de tempels van Angkor Wat en de Eiffeltoren. Angkor is ook de naam de schaduworganisatie waaronder de Khmer Rouge zijn misdaden bedreef. Etsen van een geromantiseerd landelijk leven en natuurlijk de schilderijen met de nachtmerries van zijn verblijf in het Tuol Sleng martelcentrum. Op een van de schilderijen is een grote groep halfnaakte en met kettingen aan de vloer vastgeklonken gevangen te zien. Door het raam worden ze door een van de bewakers nat gesproeid. Op een ander schilderij zien we een ossenwagen met een tweetal gevangen (Vann Nath en zijn neef, lees ik later) met drie bewakers, op weg naar de Tuol Sleng gevangenis.

Verder twee grote kasten met documentatie, boeken, foto’s en ansichtkaarten. Naast zijn schilderijen heeft Vann Nath zijn herinneringen aan Tuol Sleng (door de Khmer Rouge S-21 genoemd) ook op geschreven. Sineth laat ons een beduimelde Engelse vertaling zien, hun enige exemplaar. Later lukt het me om via het world-wide-web een exemplaar van het boekje te achterhalen. Een crisisuitgave, vlekkerig gedrukt op flinterdun papier, met verspringende lettergroottes, sommige pagina’s in zwartwit andere in blauwwit, de korrelige illustraties eveneens in blauwwit. Een ontroerend en aangrijpend verslag. In honderdachttien pagina’s, wars van iedere literaire pretentie of wetenschappelijk doel, doet Vann Nath een diep menselijk verslag van zijn ervaringen tijdens de Khmer Rouge periode en in de S-21 gevangenis. Zijn kunstenaarschap blijkt zijn redding.

It was my great luck that I have been born with the temperament and love for drawing and painting. If not, my name would not have been underlined in red – meaning that I was to be spared – on that February 16, 1978 ‘ghost’ list.

Na de eerste weken van uithongeren, verhoor en martelen, wordt zijn naam op het laatste moment van een dodenlijst gehaald. Als kunstenaar blijkt hij bruikbaar voor het regiem en krijgt hij opdracht portretten en later ook bustes van de leider van de Khmer Rouge, Pol Pot te maken, van wie hij aanvankelijk niet eens weet wie het betreft. Hij weet de laatste chaotische dagen van het regiem te overleven, het moorden gaat tot op de laatste dag door. Zo wordt hij een van de zeven overlevenden van het martel- en moord bewind in de S-21 gevangenis, een schrikbewind dat aan meer dan veertien duizend mannen, vrouwen en kinderen het leven kost. Men schat dat tijdens de Khmer Rouge periode, tussen april 1975 en januari 1979 – om precies te zijn drie jaar, acht maanden en twintig dagen, in totaal twee miljoen Cambodjanen vermoord zijn of door de honger gestorven.

When Cambodia’s doors reopened again in 1979, little remained but tears and piles of bones.

De rest van zijn leven staat in het teken van deze herinneringen, in woord en beeld doet Vann Nath er verslag van. In de galerie weet ik me even geen houding te geven. Waarom ben ik hier eigenlijk? Mijn lieve Suweera doet het een stuk beter en condoleert moeder en dochter met hun verlies. Wat veel meer is dan het uiteindelijke overlijden van Vann Nath in 2011, onder de Cambodjanen die van honger gestorven zijn, bevonden zich ook hun twee eerste kinderen.

Toch is Vann Nath een vroom Boeddhist gebleven, die zijn beulen ook altijd als slachtoffers kon zien. Alleen wanneer in 1998 Pol Pot, de leider van de Khmer Rouge overlijdt, evenals alle andere kopstukken, zonder zich ooit te hebben verantwoord laat staan berecht te zijn, noteert hij als laatste regel in zijn boek, refererend aan de idee van het bestaan van karma:

‘Pol Pot and his henchman will harvest the actions they committed. They will reap what they have sown.’

Is het toeval dat zijn boek in 1998, het jaar van overlijden van Pol Pot, verschijnt of wil hij karma wellicht een handje helpen. Zo kan ook de volkse beleving van een religie een bron van troost zijn.

Beulen als slachtoffers, voor mij is het heel ver weg. Maar in zijn boek ‘The art of living’ kiest ook de Vietnamese zenmeester Thich Nhat Hanh deze benadering, wanneer hij reflecteert op de decennia van oorlog en geweld in Vietnam.

When we can free ourselves from the idea of
Separateness, we have compassion, we have understanding,
And we have the energy we need to help.
(Thich Nhat Hanh ‘The art of living’)

In zijn boek ‘Phnom Penh: a cultural and literary history laat Milton Osborne zien dat de Khmer Rouge zijn aanhang wierf onder de armste en meest ongeletterden in de Cambodjaanse samenleving, kinderen soms nog. Zwaar geïndoctrineerd vaak de beulen van het regime. De leiders van de Khmer Rouge daarentegen waren bepaald niet ongeletterd, een aantal van hen had onder het Franse bewind zelfs in Parijs gestudeerd. Toch zou het tot 2014 duren alvorens de laatste twee overlevende leiders van de Khmer Rouge tot een levenslange gevangenisstraf werden veroordeeld. Met tot op de dag van vandaag een president (Hun Sen – 1951 -) die voortkomt uit de Khmer Rouge mogen we dat misschien ook niet verwachten. Hun Sen maakte aanvankelijk carrière binnen de rangen van de Khmer Rouge. In 1978 liep deze opportunist over naar Vietnam, dat toen Cambodja was binnengevallen, en vanaf 1985 is hij bijna onafgebroken premier van Cambodja. Gelukkig is de leider, en bepaald ook geen ongeletterde meeloper, van de Tuol Sleng gevangenis, Kang Keck Leu (1942) (beter bekend onder zijn pseudoniem ‘brother’ Duch of Deuch) al eerder in 2011 berecht.

Misschien is de weg van Thich Nhat Hanh de goede. Voorlopig zou verantwoording, vergeving en berechting in mijn ogen al een heel mooi begin zijn. Wanneer een levenskunstenaar als Vann Nath dit kan opbrengen en daar in de meest simpele en menselijke bewoording verslag van doet, verdient zijn boek wel een veel bredere verspreiding dan een crisisuitgave die veel te duur en slechts via het internet te achterhalen is.

This book is dedicated to all who perished in Tuol Sleng. By keeping their memory alive, my hope is that their deaths do not lose all meaning but can help a new generation of Cambodians, and people throughout the world, to understand what happened in my motherland in the 1970’s.

de volle maan
heeft niets om op te rusten
geen plaats om zich aan vast te houden
Eihei Dogen (1200 – 1253)
Vann Nath Mugshot
Een ‘mug shot’ is een portretfoto voor het politiedossier, ‘mug’ is in het Engels slang voor gezicht. Tijdens het regiem van Pol Pot werden in het martelcentrum en gevangenis Tuol Sleng (S-21) zes duizend ‘mug shot’ foto’s van gevangenen gemaakt, soms bij binnenkomst, soms ook pas na hun executie.

Le Ba Dang ‘Blue Zen’ – detail – (2000)

Wenskaart

All the great images – then and even now – do not make any difference. They are proof of what happens in war, but they are like Christmas cards: They come every year.    (Don McCullin)

Er lijkt een barst in de hemel boven Hue te zitten, al dagenlang hangt er een gordijn van water over de stad. Een cycloon een paar honderd kilometer uit de kust schijnt al het water van de Grote Oceaan richting Hue te blazen. De eerste dag lukt het nog net om al het water af te voeren, vanaf dag twee begint de Perfume rivier over te lopen en komen steeds meer straten blank te staan. Ergens tussen Hue en Hanoi staat de trein die me terug naar Hanoi moet brengen stil op de enkele spoorbaan. Met regencape en rubberschoenen maak ik er het beste van.

Voor mij is Vietnam en in het bijzonder Hue voor altijd verbonden met de Vietnam- of Amerikaanse- oorlog, zoals ze hier liever zeggen. Het Tet-offensief, de slag om Hue, de straatgevechten in en om de keizerlijke stad en citadel van Hue. Via de Provinciale Zeeuwse Courant bereikten de beelden van oorlogsfotograaf Don McCullin zelfs mijn Zeeuwse dorp. Vijftig jaar later geeft Don in een interview aan dat er weinig nachten voorbijgaan waarin hij niet herinnerd wordt aan Hue.

(…) during eleven days inside the citadel I beheld all the ways that men live and die in war. I shot wars after Hue, but nothing so intense and dangerous. I witnessed the most incredible courage too. But for what?                                                                                                               (Don McCullin)

Wadend door de straten rond de citadel staan veel huizen inmiddels onder water. De citadel zelf, iets hoger gelegen en omgeven door een gracht, is nog toegankelijk. Tijdens het Tet offensief is de citadel en het daarin gelegen keizerlijk paleis grotendeels verwoest. Mondjesmaat wordt er wat gerestaureerd, de sporen van granaat- en kogelinslagen zijn nog overal zichtbaar.

Terug in het Hue Thuong hotel besluit Thuy gezien de bijzondere weersituatie een gezamenlijke maaltijd voor haar gasten, naast mij nog een Engels stel en haar tante, met wie ze het familiehotel beheerd, klaar te maken. Smakelijk gekruide groenten, zoete aardappelen en rijst, op mijn verzoek heeft ze het vlees apart gehouden. Boven kommen geurige jasmijnthee lachen we vriendelijk naar elkaar en wisselen we wat beleefdheden uit. Terug op mijn kamer lees ik het boekje ‘Women driving the Hô Chí Minh trail’. Getuigenissen van ruim dertig vrouwelijke soldaten, chauffeurs op de bevoorradingsroute die de Hô Chí Minh trail was. Ondanks de soms wat ronkende partijtaal weten zij ook vijfenveertig jaar na dato nog precies waarvoor ze toen vochten en kunnen zij allen de vraag van Don McCullin feilloos beantwoorden.

“I see that I’m fortunate because by serving in a women’s unit driving the Hô Chí Minh Trail and then working with a women’s repair unit, I was able to contribute my small part toward our people’s victory.”

Naast de liefde voor het vaderland, vinden vele vrouwen ook de liefde van hun leven op de Hô Chí Minh Trail. “Our love has bloomed through two springs. Ours is a love as beautiful as spring itself.”

Waar de buitenlandse oorlogsfotograaf alleen de bigger picture van het zinloze offer en lijden van de oorlog ziet, zien de vrouwelijke soldaten wel degelijk het achterliggende doel en de noodzaak.

Een nog helderder antwoord krijgt fotograaf Don McCullin van Dang Thuy Tram, een jonge arts die in de Amerikaanse oorlog in 1970 tijdens haar werkzaamheden als arts sneuvelt. Of is de kogel door haar voorhoofd toch gewoon moord? Helemaal opgehelderd is het nooit. Een Amerikaanse inlichtingenofficier redt haar dagboek uit een stapel documenten die hij geacht wordt te vernietigen, en neemt het mee naar Amerika wanneer zijn tour of duty erop zit. Pas in 2005 is hij in de gelegenheid het dagboek aan de moeder van Thuy terug te geven. Nog hetzelfde jaar wordt het gepubliceerd en blijkt het een instant bestseller, eerst in Vietnam en later ook wereldwijd nadat het dagboek door Oprah is gekozen tot boek van de maand. In haar prachtige taal deelt Thuy haar moed en twijfel met ons:

“Last night I dreamed that peace was established, I came back and saw everybody. Oh, the dream of Peace and Independence has burned in fire hearts of thirty million people for so long”

Evenals de vrouwelijke soldaten op de Hô Chí Minh Trail droomt ook Thuy ervan Duyen, de voorbestemde liefde van haar leven, te vinden en maakt ze ons daar in haar poëtische taal deelgenoot van.

“I want to fill the emptiness in my soul with the affection within these kind letters, but it is impossible. My heart heals stubborn with the tempo of a twenty-year-old, full of love and affection. Oh, be calm my heart, seek the peaceful rhythm of the sea on a windless afternoon.”

Wellicht kunnen we nooit tegelijkertijd de zinloosheid van fotograaf, maar ook buitenstaander Don McCullin en de innerlijke noodzaak van de chauffeurs op de Hô Chí Minh Trail ervaren. In de zondvloed van Hue zoekt het troebele water van de Perfume rivier telkens naar een nieuwe vorm. Hue schikt zich in de zoveelste nieuwe werkelijkheid. Aan de receptiebalie van het Hue Thuong hotel vertelt Thuy me lachend dat het nog wel een aantal dagen kan duren alvorens er weer een trein richting Hanoi vertrekt.

Eigenlijk kan ik niet ophouden met citeren uit Thuy’s dagboek:

30 June 1968
Autumn has not arrived, but still all the leaves in my world have turned brown, I have never felt this miserable and lonely. “To live is to face the storms and not cower before them” Stand up then, oh, Thuy. Even when the rain and gale are rising, even when tears have flowed in torrents, keep your spirit high, Thuy. Use your will, your faith in the just cause and the ideals of your life, to continue your journey and this dangerous path. Is there any victory without sweat and tears, thought and pain, blood and bones, Thuy?

Een bekende koan van de Japanse zenmeester en filosoof Shin’ichi Hisamatsu (1889 – 1980) luidt:

Precisely here and now, when nothing works, what are you going to do

Een koan kunnen we niet oplossen met onze alledaagse logica, maar met haar levensloop geeft Thuy haar antwoord op deze vraag.

Op 20 juni 1970 eindigt haar dagboek:

No, I am no longer a child, I have grown up, I have passed trails of peril, but somehow at this moment, I yearn deeply for mom’s caring hand. Even the hand of a dear one or that of an acquaintance would be enough. Come to me squeeze my hand, know my loneliness, give me the love, the strength to prevail on the perilous road before me.

Twee dagen later wordt haar lijk gevonden met een kogel door het voorhoofd.

Op de vraag naar de zin van het leven
antwoord iedereen met zijn levensloop.
György Konrád